Spring naar inhoud

Financiële positie en beleid in 2023

4.1 Financiële opzet en positie

Het resultaat in boekjaar 2023 bedraagt € 21.909.027 negatief. Dit negatieve resultaat wordt veroorzaakt door het netto effect van het behaalde positieve rendement op de beleggingen van 7,4% en een daling van de rentetermijnstructuur (RTS), waardoor de technische voorziening van het pensioenfonds is gestegen. 

Dekkingsgraad
De dekkingsgraad is een belangrijke maatstaf voor de financiële positie van een pensioenfonds. Het geeft het pensioenvermogen als percentage van de contante waarde van de pensioenverplichtingen weer. De dekkingsgraad kan wijzigen door diverse factoren, zoals de ontwikkeling van het beleggingsresultaat, verzekeringstechnische ontwikkelingen en de ontwikkeling van de rentetermijnstructuur. De beleidsdekkingsgraad wordt berekend als het gemiddelde van de twaalf maanddekkingsgraden naar de meest actuele inzichten.

Ontwikkeling dekkingsgraad
De actuele dekkingsgraad is gedaald van 125,8% ultimo 2022 naar 121,4% per 31 december 2022. Het onderstaande verloop van de actuele dekkingsgraad laat zien welke componenten de meeste invloed hebben gehad op de ontwikkeling van de dekkingsgraad.

De ontwikkeling van de actuele dekkingsgraad van het pensioenfonds gedurende het jaar 2023 wordt hieronder weergegeven:

  2023 2022
Dekkingsgraad 1 januari 125,8% 123,9%
Premie -0,9% -0,9%
Uitkeringen 0,4% 0,2%
Toeslagverlening -6,0% -6,3%
Wijziging rentetermijnstructuur voorziening pensioenverplichtingen -3,4% 64,9%
Beleggingsrendementen (exclusief renteafdekking) 5,9% -32,6%
Wijziging uit hoofde overdracht van rechten 0,5% 0,1%
Wijziging Actuariële grondslagen -1,2% -1,6%
Overige oorzaken 0,3% -21,9%
Dekkingsgraad 31 december 121,4% 125,8%

Beleidsdekkingsgraad
Het bestuur neemt toekomstige beslissingen op basis van de beleidsdekkingsgraad ultimo 2023 van 129,5%.

Een overzicht met het verloop van de (actuele) dekkingsgraad en de beleidsdekkingsgraad in de afgelopen 5 jaar wordt in de volgende grafiek getoond:

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Dekkingsgraad Beleidsdekkingsgraad
2019 1.107 1.063
2020 1.104 1.033
2021 1.239 1.175
2022 1.258 1.29
2023 1.214 1.295

Herstelplan
De feitelijke dekkingsgraad per 31 december 2023 (121,4%) is lager is dan de dekkingsgraad behorend bij het vereist vermogen (122,2%). Echter, aangezien de beleidsdekkingsgraad (129,5%) leidend is en deze hoger is dan de dekkingsraad horend bij het vereist vermogen, is geen herstelplan nodig.

Haalbaarheidstoets
Met een haalbaarheidstoets controleert het pensioenfonds of de afgesproken ambities worden gerealiseerd, of het premiebeleid voldoende realistisch en haalbaar is en of het pensioenfonds voldoende herstelcapaciteit heeft. Het pensioenfonds voert een “jaarlijkse haalbaarheidstoets” uit.

Het pensioenfonds stelt de volgende drie ondergrenzen vast:

  1. De ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat vanuit de situatie dat precies aan de vereisten van het vereist eigen vermogen wordt voldaan: 100%.
  2. De ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat vanuit de feitelijke financiële positie van het pensioenfonds op de berekeningsdatum: 90%.
  3. De maximale afwijking van het pensioenresultaat in het slechtweerscenario vanuit de feitelijke financiële situatie van het pensioenfonds op de berekeningsdatum: 50%.

Het pensioenfonds heeft in 2023 de verplichte haalbaarheidstoets uitgevoerd en de resultaten hiervan gerapporteerd aan DNB. Hierbij een overzicht van de resultaten:

  Risicohouding
(lange termijn)
2022 2023  
Toetsing – verwacht pensioenresultaat Ondergrens / maximale afwijking Resultaat Resultaat Voldaan?
Vanuit feitelijke financiële positie        
Mediaan 90% 97% 92% Ja
Slechtweerscenario   68% 63%  
Relatieve afwijking t.o.v. mediaan 50% 30% 32% Ja

Beleidsuitgangspunten
Voor toepassing binnen ALM-studies heeft het bestuur, tezamen met sociale partners, in 2020 de volgende beleidsuitgangspunten gedefinieerd, uitgaande van een startdekkingsgraad van 104,3% en een horizon van 15 jaar:

Beleidsuitgangspunten Norm
Toeslagrealisatie (% van maatstaf) Minimaal 30%
Jaarlijkse kans op verlaging Maximaal 8%
Omvang verlaging (zonder uitsmeren)
(gemiddelde van scenario’s met verlaging)
Maximaal 10%
Omvang verlaging (zonder uitsmeren)
(1e percentiel)
Maximaal 45%

Periodiek worden de beleidsuitgangspunten, het ambitieniveau en de risicohouding met sociale partners geëvalueerd.

4.2 Beleid en beleidskeuzes

Het bestuur heeft beleid ontwikkeld op het gebied van financiering, beleggingen en toeslagen om de risico’s en de financiële positie van het pensioenfonds te beheersen. Bij het maken van beleidskeuzes worden de belangen van alle belanghebbenden evenwichtig afgewogen. Het beleid moet worden uitgevoerd binnen de kaders van de pensioenovereenkomst zoals die overeengekomen is tussen werkgevers en werknemers.

4.2.1 Premiebeleid

Het reglementaire premiepercentage is 32,0%. In het jaar 2012 is het pensioenfonds overgestapt naar een gedempte kostendekkende premie. Het bestuur is zich ervan bewust dat de dempingsmethode gedurende langere tijd gehanteerd dient te worden. DNB heeft per brief ingestemd met de overstap naar een gedempte kostendekkende premie. Mede uit het oogpunt van evenwichtige belangenbehartiging heeft het bestuur (in samenspraak met sociale partners) vanaf 2016 gekozen voor een rentedemping, waarbij 60 rentetermijnstructuren zijn gemiddeld. Vanaf 2020 is overgestapt op de methode op basis van verwacht rendement met een afslag voor indexatie.

De toetsing van de kostendekkendheid van de premie wordt uitgevoerd op basis van ex-ante cijfers, dus op basis van de vooraf verwachte premie en de vooraf vastgestelde gedempte kostendekkende premie.

De gedempte kostendekkende premie voor het verslagjaar bedraagt vooraf bepaald (ex-ante) € 85.297* en achteraf vastgesteld (ex-post) € 88.055. De samenstelling van de vooraf bepaalde en achteraf vastgestelde gedempte kostendekkende premies is als volgt:

  Ex-ante Ex-post
Actuarieel benodigd 47.366 48.273
Solvabiliteitsopslag 10.799 10.910
Opslag voor uitvoeringskosten 5.977 6.356
Premie voorwaardelijke onderdelen 21.155 22.516
Totaal 85.297 88.055

De zuivere kostendekkende premie (zonder demping toe te passen) bedroeg in het verslagjaar € 101.380. De samenstelling van de zuivere kostendekkende premie is als volgt: 

   
Actuarieel benodigd 77.507
Solvabiliteitsopslag 17.517
Opslag voor uitvoeringskosten 6.356
Totaal 101.380

De vooraf verwachte premie is € 85.297. Deze premie wordt gebruikt voor de toetsing van de kostendekkendheid van de premie met de vooraf bepaalde (ex-ante) gedempte kostendekkende premie. De feitelijke premie (ex-post) bedraagt € 88.818 (2022: € 77.954).

* Genoemde bedragen zijn x € 1.000.

4.2.2 Toeslagbeleid

De toeslag op de pensioenaanspraken van de (ex-)deelnemers en van de ingegane pensioenen is voorwaardelijk. Er bestaat geen recht op jaarlijkse toeslag. Of er toeslag wordt verleend en in welke mate is afhankelijk van de financiële middelen van het pensioenfonds en van het oordeel van het bestuur en de actuaris over de financiële positie van het pensioenfonds. In het verleden verleende toeslagen geven geen zekerheid over toeslagen in de toekomst.

Het bestuur heeft de volgende toeslagmatrix (geldend vanaf 1 juli 2015) vastgesteld:

  • Ondergrens voor voorwaardelijke toeslagverlening 110% (wettelijk).
  • De bovengrens voor voorwaardelijke toeslagverlening vast te stellen conform de FTK-systematiek (wettelijk).
  • Inhaaltoeslagen toestaan vanaf een beleidsdekkingsgraad hoger dan de bovengrens.

Bij het toekennen van toeslagen kijkt het bestuur ook naar de economische situatie en kan worden afgeweken van het toeslagbeleid.

Hieronder een overzicht met de toegekende en gemiste toeslagen vanaf 2006 voor de actieve deelnemers. Hun toeslagverlening volgde tot 1 januari 2020 de loonontwikkeling en vanaf 1 januari 2020 de prijsontwikkeling:

Datum toeslag Maatstaf (prijsindex) Toegekend Gemist
       
1 januari 2006 1,15% 1,15% 0,00%
1 januari 2007 1,25% 1,25% 0,00%
1 januari 2008 3,10% 3,10% 0,00%
1 januari 2009 3,25% 0,00% 3,25%
1 januari 2010 3,10% 0,90% 2,20%
1 januari 2011 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2012 2,30% 0,00% 2,30%
1 januari 2013 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2014 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2015 1,50% 0,00% 1,50%
1 januari 2016 1,50% 0,00% 1,50%
1 januari 2017 2,50% 0,00% 2,50%
1 januari 2018 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2019 1,50% 0,00% 1,50%
1 januari 2020 1,03% 0,00% 1,03%
1 januari 2021 1,97% 0,00% 1,97%
1 januari 2022 1,21% 0,50% 0,71%
1 september 2022 0,00% 0,71% -0,71%
1 januari 2023 7,36% 7,00% 0,36%
1 januari 2024 7,60% 4,53% 3,07%

Hieronder een overzicht met de toegekende en gemiste toeslagen vanaf 2006 voor de gewezen deelnemers en pensioengerechtigden, waarvan het dienstverband op of na 1 januari 2004 is beëindigd:

Datum toeslag Maatstaf (prijsindex) Toegekend Gemist
       
1 januari 2006 1,02% 1,02% 0,00%
1 januari 2007 1,65% 1,65% 0,00%
1 januari 2008 1,25% 1,25% 0,00%
1 januari 2009 1,91% 0,00% 1,91%
1 januari 2010 1,44% 0,45% 0,99%
1 januari 2011 0,67% 0,00% 0,67%
1 januari 2012 1,90% 0,00% 1,90%
1 januari 2013 2,05% 0,00% 2,05%
1 januari 2014 1,59% 0,00% 1,59%
1 januari 2015 0,99% 0,00% 0,99%
1 januari 2016 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2017 0,52% 0,00% 0,52%
1 januari 2018 1,59% 0,00% 1,59%
1 januari 2019 1,27% 0,00% 1,27%
1 januari 2020 1,03% 0,00% 1,03%
1 januari 2021 1,97% 0,00% 1,97%
1 januari 2022 1,21% 0,50% 0,71%
1 september 2022 0,00% 0,71% -0,71%
1 januari 2023 7,36% 7,00% 0,36%
1 januari 2024 7,60% 4,53% 3,07%

Hieronder een overzicht met de toegekende en gemiste toeslagen vanaf 2006 voor de gewezen deelnemers en pensioengerechtigden, waarvan het dienstverband vóór 1 januari 2004 is beëindigd:

Datum toeslag Maatstaf (prijsindex) Toegekend Gemist
       
1 januari 2006 1,15% 1,15% 0,00%
1 januari 2007 1,25% 1,25% 0,00%
1 januari 2008 3,10% 3,10% 0,00%
1 januari 2009 3,25% 0,00% 3,25%
1 januari 2010 3,10% 0,90% 2,20%
1 januari 2011 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2012 2,30% 0,00% 2,30%
1 januari 2013 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2014 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2015 1,50% 0,00% 1,50%
1 januari 2016 1,50% 0,00% 1,50%
1 januari 2017 2,50% 0,00% 2,50%
1 januari 2018 0,00% 0,00% 0,00%
1 januari 2019 1,50% 0,00% 1,50%
1 januari 2020 4,52% 0,00% 4,52%
1 januari 2021 1,97% 0,00% 1,97%
1 januari 2022 1,21% 0,50% 0,71%
1 september 2022 0,00% 0,71% -0,71%
1 januari 2023 7,36% 7,00% 0,36%
1 januari 2024 7,60% 4,53% 3,07%

4.3 Uitvoering pensioenregeling

De taak van het pensioenfonds is het uitvoeren van de pensioenregeling die sociale partners hebben bepaald. Om invulling te geven aan deze taak heeft het pensioenfonds ten behoeve van de uitvoering van de pensioenregeling een pensioenreglement opgesteld. De uitvoering van de pensioen- en werkgeversadministratie is uitbesteed aan TKP. In deze paragraaf wordt ingegaan op de kosten van de uitvoering, de klachten- en geschillenregeling, de incidentenregeling en het communicatiebeleid.

4.3.1 Uitbestedingsbeleid

Het pensioenfondsbestuur heeft een uitbestedingsbeleid opgesteld. Hierbij de uitgangspunten die meest recentelijk per november 2022 zijn vastgesteld:

  • Het bestuur blijft eindverantwoordelijk voor de uitbestede activiteiten of processen.
  • Het bestuur behoudt volledige zeggenschap over de uitbestede activiteiten of processen.
  • Het bestuur leeft het uitbestedingsbeleid na, zoals dat door het bestuur is opgesteld conform de wettelijke eisen en op basis van de richtlijnen van DNB.
  • Het beleid voldoet aan de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.
  • Het bestuur selecteert onafhankelijke uitvoerders op basis van kwaliteit, prijs en marktconformiteit.
  • Het bestuur van het pensioenfonds zorgt voor voldoende countervailing power binnen het bestuur zelf of huurt indien noodzakelijk countervailing power in.
  • Bij de keuze van de uitvoerder wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen van het pensioenfonds.
  • De uitkomst van het selectieproces wordt waar relevant getoetst door een extern adviesbureau, c.q. het proces kan worden uitbesteed aan een extern adviesbureau.
  • Het bestuur voert periodiek een controle uit op de marktconformiteit van de uitbestede acties en processen.
  • Het bestuur voert periodiek een controle uit op (het proces van) de datakwaliteit van de uitbestede processen.
  • Het uitbestedingsbeleid wordt minimaal elke twee jaar door het bestuur geëvalueerd en is laatstelijk updatet vastgesteld in november 2019.
  • Er dienen afspraken te worden gemaakt over de wijze waarop een overeenkomst wordt beëindigd, en over de wijze waarop wordt gewaarborgd dat het pensioenfonds de werkzaamheden na beëindiging van een overeenkomst weer zelf kan uitvoeren of door een andere derde kan laten uitvoeren.
  • Het bestuur voert jaarlijks evaluatiegesprekken met de uitbestedingspartijen. Bij het afscheid van een uitbestedingspartij wordt een exitgesprek gevoerd.
  • Bij het uitbesteden van activiteiten worden minimaal twee offertes opgevraagd.
  • Het bestuur onderschrijft het IMVB-convenant Pensioenfondsen. Hiermee draagt het pensioenfonds bij aan het realiseren van de doelstellingen van het convenant.

4.3.2 Beleggingsbeleid

Beleggingsbeleid
Het pensioenfonds doorloopt voor de totstandkoming en uitvoering van het strategisch beleggingsbeleid onderstaande beleggingscyclus:


In lijn met de prudent person regel, sluit het strategisch beleggingsbeleid aan bij de doelstellingen, Investment Beliefs en risicohouding van het pensioenfonds:

Doelstellingen
De voornaamste financiële doelstellingen van het pensioenfonds zijn:

  • Het waarborgen van de opbouw van de pensioenaanspraken overeenkomstig de in het reglement vastgelegde bepalingen.
  • Het minimaliseren van de kansen op een dekkings- en reservetekort, alsmede van de mate van dekkings- en reservetekort.
  • Het maximaliseren van het beleggingsrendement (binnen de risicokaders) om de nagestreefde toeslagen te realiseren.

De doelstelling van het beleggingsbeleid (in samenhang met bovenstaande doelstellingen) is:
Het op lange termijn realiseren van een zo hoog mogelijk rendement uitgaande van de strategische asset allocatie bij een acceptabel risico, rekening houdend met en passend bij de verplichtingenstructuur van het pensioenfonds.

Investment Beliefs
Ten aanzien van de gestelde doelen heeft het bestuur Investment Beliefs geformuleerd die - tezamen met de ‘prudent person’ regel - het kader vormen waarbinnen het beleggingsbeleid wordt uitgevoerd. Het pensioenfonds heeft haar Investment Beliefs in 2020 geactualiseerd.

De Investment Beliefs van het pensioenfonds zijn als volgt:

1. Ambitieniveau en pensioenverplichtingen zijn leidend

De beleggingsportefeuille dient zodanig ingericht te worden dat het rendements-/risicoprofiel op lange termijn zo goed mogelijk aansluit bij het ambitieniveau, de risicobereidheid en de onderhavige verplichtingen van het pensioenfonds.

2. Wij hanteren de strategische vermogensallocatie, inclusief afdekkingsstrategieën, als de meest bepalende beleggingsbeslissing voor het rendement en het risico van de portefeuille

3. Diversificatie of spreiding verbetert de verhouding tussen rendement en risico

Het bestuur is van mening dat spreiding over meerdere beleggingscategorieën en risicobronnen bijdraagt aan een stabiele ontwikkeling van de dekkingsgraad. Diversificatie is dan ook een uitgangspunt bij de inrichting van de portefeuille. Hierbij kijkt het bestuur wel kritisch naar de verwachte diversificatievoordelen. Sommige beleggingscategorieën lijken diversificatievoordeel op te leveren, maar zijn in de praktijk sterk afhankelijk van bestaande risicobronnen in de portefeuille. Daarnaast kunnen correlaties oplopen in extreme situaties, waardoor diversificatievoordelen verminderen.

4. Beleggingsrisico wordt beloond

Risicomanagement is geïntegreerd in het beleggingsproces: risico en rendement kunnen niet los van elkaar worden gezien. Er zijn beleggingscategorieën te vinden waarmee, door het nemen van risico, een risicopremie verdiend kan worden. Voor elke beleggingscategorie wordt de afweging gemaakt of tegenover het risico in verwachting een adequate vergoeding staat. Pensioenfonds Particuliere Beveiliging verwacht dat onder andere de risicofactoren aandelen, krediet en illiquiditeit op lange termijn worden beloond met een passend rendement.

5. Rente- en valutarisico worden in hoge mate als onbeloond gezien

Het pensioenfonds gelooft dat rente- en valutabewegingen niet te voorspellen zijn. Vanwege het belang dat wordt gehecht aan risicobeheersing worden deze risico’s strategisch afgedekt, waarbij de mate van afdekking afhangt van de specifieke eigenschappen van het risico ten aanzien van verplichtingen en dekkingsgraad en de mogelijkheden om de afdekking efficiënt en beheerst uit te voeren.

6. Individuele beleggingscategorieën moeten voldoende omvang hebben om een materiële bijdrage te kunnen leveren aan de portefeuille en om de toename van complexiteit van de portefeuille te kunnen verantwoorden

7. Passief beheer

Er bestaan inefficiënties in financiële markten, maar het is onzeker of het pensioenfonds hier de voordelen van kan realiseren. Dit komt door de hogere kosten en de twijfel of strategieën die hierop inspelen houdbaar zijn voor de langere termijn. Om deze reden is passief beleggen* het uitgangspunt.

* Hiermee wordt bedoeld beleggen met als doelstelling het halen van een vergelijkbaar rendement als de relevante index. Hierbij worden geen eigen actieve keuzes voor beleggingstitels gemaakt. Doelstelling is tevens de transactiekosten zo laag mogelijk te houden.

8. Maatschappelijk verantwoord beleggen loont

De wereld en daarmee het pensioenfonds is gebaat bij een samenleving, waarin met respect wordt omgegaan met mens en milieu en waarin voldoende aandacht wordt gegeven aan het goed besturen van ondernemingen en andere instituties. Het pensioenfonds is ervan overtuigd dat verantwoord beleggen bijdraagt aan verantwoorde, stabiele en goede beleggingsresultaten en dat het tevens uitdrukking geeft aan de maatschappelijke betrokkenheid van het pensioenfonds.

9. Uitbesteding van delen van het beleggingsproces is noodzakelijk om voor elk onderdeel in het proces de gepaste kennis en expertise in huis te halen

10. Kostenbewustzijn is essentieel bij het inrichten van een beleggingsportefeuille. Verwachte opbrengsten zijn onzeker, maar kosten merendeels niet

Risicohouding
De risicohouding van het pensioenfonds voldoet aan de prudent person regel en komt tot uitdrukking in de door het pensioenfonds gekozen grenzen in het kader van de haalbaarheidstoets. Voor de korte termijn vertaalt dit zich in de hoogte van het vereist eigen vermogen en de bijbehorende bandbreedte.

Voor toepassing binnen de in 2023 uitgevoerde ALM-studie zijn de volgende kritische grenzen gedefinieerd:

  • Minimaal vereiste dekkingsgraad: 104,3%.
  • VEV-bandbreedte: 119,0% - 125,0%.
  • Toeslagrealisatie: min 30%, jaarlijkse kortingskans: maximaal 8%, omvang korting:
    maximaal 10%, omvang korting (1e percentiel): 45%.

Voor toepassing binnen de haalbaarheidstoets zijn de volgende grenzen gedefinieerd:

  • Ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat startend vanuit het vereiste vermogen: 100%.
  • Ondergrens voor het verwachte pensioenresultaat startend vanuit de feitelijke financiële positie: 90%.
  • Maximale afwijking bij slechtweerscenario: 50%.

Risicohouding korte termijn (tot 3 jaar)
De mate waarin beleggingsrisico’s worden gelopen komt terug in het vereist eigen vermogen (VEV), zijnde de omvang van het eigen vermogen waarover een pensioenfonds, gegeven een bepaald risicoprofiel, zou moeten beschikken. Op basis van de uitgangssituatie van 1 januari 2015 is de risicohouding op korte termijn geformuleerd als een bandbreedte voor het strategische VEV ter grootte van 119,0% - 125,0%. Zodra het strategische VEV buiten deze bandbreedte komt, of dreigt te komen, wordt het risicoprofiel van het pensioenfonds, in overleg met cao-partijen heroverwogen. Daarnaast wordt gekeken naar het feitelijke VEV, welke binnen dezelfde bandbreedte van +/- 3% om het strategische VEV moet bewegen. Zodra het feitelijke VEV buiten deze bandbreedtes treedt dan wordt dit besproken met de uitvoerend bestuurders en vervolgens in het bestuur.

Het pensioenfonds brengt op basis van het VEV de financiële risico’s in kaart met behulp van de voor het VEV voorgeschreven wegingsmethode. Hieruit blijkt dat het renterisico en marktrisico’s de belangrijkste risico’s voor het pensioenfonds zijn. Het renterisico wordt deels afgedekt (60%) evenals het valutarisico. Het marktrisico wordt voor zover mogelijk beperkt door voldoende spreiding in de beleggingsportefeuille aan te brengen.

Strategisch beleggingsbeleid en doorvertaling
Het strategisch beleggingsbeleid wordt ten minste iedere drie jaar geëvalueerd en gedocumenteerd. Het strategisch beleggingsbeleid is tot stand gekomen op basis van de in 2023 uitgevoerde ALM-studie met als input de doelstellingen en ambitie, de Investment Beliefs ten aanzien van risicobronnen, de evaluatie van beleggingscategorieën, de risicohouding van het pensioenfonds en de verwachte rendementen.

De voornaamste uitkomsten van deze ALM-studie zijn:

  • Het handhaven van de bestaande match/return-verdeling (35/65%) en niveau van de renteafdekking (60%).
  • Het afbouwen van de allocatie naar staatsobligaties opkomende landen ten gunste van de overige categorieën in de liquide returnportefeuille

Het beleggingsplan betreft een jaarlijkse vertaling hiervan met concrete en gedetailleerde normgewichten en bandbreedtes per beleggingscategorie.

Implementatie & uitbesteding vloeit voort uit het beleggingsplan. Er zijn afspraken gemaakt met de fiduciair manager en de vermogensbeheerders via Investment Management Agreements (IMA’s) en SLA’s. Ten behoeve van de monitoring worden diverse rapportages ontvangen van de relevante partijen. Op een aantal specifieke onderdelen is beleid geformuleerd, namelijk over manager selectie en monitoring, tegenpartijen en securities lending.

4.3.3 Uitvoeringskosten

Het pensioenfonds probeert volledige inzage in de kosten te geven, waarbij de aanbevelingen van de Pensioenfederatie gevolgd worden. De kosten pensioenbeheer worden gerapporteerd in euro per deelnemer. Het aantal deelnemers is het totaal van het aantal actieve deelnemers en pensioengerechtigden ultimo jaar. Alle bedragen in deze paragraaf zijn in € 1.000, tenzij anders aangegeven.

  2023 2022
Totale kostenratio 0,70% 0,67%
     
Pensioenuitvoeringskosten    
Totaal pensioenuitvoeringskosten incl. projectkosten 5.966 5.342
Totaal pensioenuitvoeringskosten excl. projectkosten 5.211 4.836
     
Kosten pensioenbeheer incl. projectkosten per deelnemer (x € 1,-) 181,91 187,76
Kosten pensioenbeheer excl.projectkosten per deelnemer (x € 1,-) 158,89 169,98
     
Vermogensbeheerkosten    
Totaal vermogensbeheerkosten 7.655 10.742
Totaal beheerskosten 7.140 8.857
Totaal transactiekosten 1.262 1.885
     
Totaal vermogensbeheerkosten (in % van het gem. belegd verm.) 0,45% 0,51%
Totaal beheerkosten (in % van het gem. belegd verm.) 0,38% 0,42%
Totaal transactiekosten (in % van het gem. belegd verm.) 0,07% 0,09%
     

De totale kostenratio geeft een totaalinzicht in alle kosten van het beheer van een pensioenfonds, exclusief transactiekosten, als percentage van het belegd vermogen. Hiermee wordt duidelijk welke impact deze kosten hebben op het opgebouwde (pensioen)vermogen. Het kengetal dient als aanvullende, maar tevens als belangrijkste graadmeter voor de beoordeling van de kosten van het pensioenfonds. Dit percentage heeft het pensioenfonds conform aanbevelingen van de Pensioenfederatie opgenomen. 

De totale kostenratio van 0,70% bestaat uit 0,32% aan pensioenuitvoeringskosten en 0,38% aan vermogensbeheerkosten.

Uit de benchmark rapportage die het pensioenfonds door Bell Pensioenconsultants en Actuaries in 2023 liet uitvoeren bleek dat in 2022 de totale kostenratio 0,56% bedroeg, terwijl dit in de peer group 0,45% was.

4.3.3.1 Toelichting pensioenuitvoeringskosten

De kosten pensioenbeheer bestaan uit de volgende componenten:

  • Kosten deelnemer.
  • Kosten werkgever.
  • Kosten bestuur en financieel beheer.
  • Kosten projecten.

De kosten deelnemer hebben betrekking op alle werkzaamheden die de administratie van het pensioenfonds verricht om de pensioenaanspraken te administreren, de uitkeringen van de pensioengerechtigden te verzorgen en alle deelnemers (actieven en niet-actieven) en pensioengerechtigden te informeren. Te denken valt hierbij aan het verwerken van waardeoverdrachten, het afkopen van kleine pensioenen, het toekennen van pensioenen en de communicatie met alle doelgroepen (helpdesk, website, pensioenplanner, nieuwsbrief, Uniform Pensioenoverzicht, pensioen 1-2-3, enzovoorts).

De kosten werkgever hebben betrekking op alle activiteiten die voortvloeien uit het beheer van het bestand van aangesloten werkgevers, de aanlevering en verwerking van de werknemersgegevens, het opleggen en innen van de pensioenpremies en het onderhouden van de contacten met die werkgevers.

De kosten bestuur en financieel beheer hebben betrekking op de bestuurlijke kosten (bestuur, verantwoordingsorgaan en auditcommissie), het voeren van het secretariaat, het opstellen van het jaarverslag en het samenstellen van financiële rapportages, de kosten van het wettelijk toezicht (DNB, AFM) en de advies- en controlekosten (actuaris, accountant, aan derden uitbestede activiteiten).

De projectkosten in 2023 zijn gemaakt in het kader van de Wet toekomst pensioenen.

De algemene kosten betreffen kosten die niet direct toegerekend kunnen worden aan de pensioenuitvoering of vermogensbeheer. Deze kosten betreffen kosten voor Bestuur en commissies, externe adviseurs en toezichthouders. De algemene kosten worden verdeeld over pensioenuitvoeringskosten en vermogensbeheerkosten. De verhouding van deze verdeling wordt ieder jaar vastgesteld door het Bestuur. Deze toerekening van kosten is niet op de jaarrekening van toepassing. In de jaarrekening worden deze toegerekende kosten onder pensioenuitvoeringskosten verantwoord.

In de volgende tabel is een specificatie opgenomen van de kosten pensioenbeheer die het pensioenfonds in het verslagjaar heeft gemaakt. Tevens worden ter vergelijking de kosten van 2022 weergegeven.

  2023 2022
Kosten werknemer    
Administratie, communicatie en uitvoering 3.318 2.755
Kosten werkgever    
Administratie, communicatie en uitvoering 509 423
Kosten bestuur en financieel beheer    
Ondersteuning en financiële administratie 464 793
Toezichtkosten    
DNB 81 119
AFM 14 37
Verantwoordingsorgaan 14 27
Advies- en controlekosten    
Actuaris 162 146
Accountant en compliance 47 58
Pensioenfederatie 36 36
Kosten bestuur en vergaderingen 328 273
Diverse adviseurs 84 129
Overige kosten 154 40
     
Projectkosten 755 506
     
Totaal pensioenuitvoeringskosten incl. projectkosten 5.966 5.342
     
Totaal pensioenuitvoeringskosten excl. projectkosten 5.211 4.836
     
Toerekening algemene kosten aan kosten vermogensbeheer    
Kosten accountant/adviseur 149 120
Kosten bestuursondersteuning 228 206
Kosten bestuur 343 300
Overige kosten 359 183
Totaal toegerekend aan kosten vermogensbeheer 1.079 809
     
Totaal pensioenbeheerskosten in de jaarrekening 7.045 6.151
     
     
Actieve deelnemers 26.532 22.717
Pensioengerechtigden 6.264 5.734
Totaal aantal deelnemers 32.796 28.451
     
Pensioenbeheerskosten incl. projectkosten in euro per deelnemer 181,91 187,76
Pensioenbeheerskosten excl. projectkosten in euro per deelnemer 158,89 169,98
     

De totale pensioenuitvoeringskosten van 2023 komen uit op € 5.966, dit is een stijging ten opzichte van 2022 met € 624. Deze stijging wordt o.a. veroorzaakt door de kosten werknemer, waarin de administratie-, communicatie- en uitvoeringskosten zijn opgenomen die in 2023 zijn gestegen met € 563. Daarnaast zijn in 2023 de projectkosten voor de Wet toekomst pensioenen gestegen met € 249. De overige kostensoorten zijn in totaliteit nagenoeg gelijk gebleven.

Oordeel bestuur over de pensioenuitvoeringskosten per deelnemer
Het bestuur heeft conform de Aanbevelingen uitvoeringskosten (de Pensioenfederatie) beoordeeld of de pensioenbeheerkosten passend zijn in relatie tot het serviceniveau, complexiteit van het pensioenfonds en de pensioenregelingen, de communicatiestrategie van het pensioenfonds en de waardeoverdrachten. Het bestuur oordeelt dat dit het geval is.

In november 2023 kwam benchmarkvergelijking over het jaar 2022 via Bell Pension Consultants & Actuaries beschikbaar voor het bestuur. Het bestuur heeft deze in december 2023 in de bestuursvergadering besproken. Een belangrijke conclusie daaruit was dat de deelnemerskosten voor pensioenbeheer in 2022 op basis van de definitie van de Pensioenfederatie onder het gemiddelde van de Peergroup lagen. Het bestuur heeft op basis van het genoemde onderzoek geconcludeerd dat de kosten voor pensioenuitvoering in positieve zin in lijn lagen met de Peergroup.

Het bestuur hanteert de vergelijking op basis van het genoemde benchmarkrapport. De meest recent in de sector bekende benchmark is die over het jaar 2022. De kosten voor pensioenuitvoering per deelnemer bedroegen bij het pensioenfonds over 2022 volgens de rapportage € 188,-. De Peergroup van pensioenfondsen waarmee het pensioenfonds kan worden vergeleken, toonde over de genoemde periode een bedrag van € 200,- aan uitvoeringskosten.

Het bestuur vindt de uitvoeringskosten van € 188,- per deelnemer acceptabel. Op basis van de vergelijking in benchmark zijn deze kosten in lijn met, zelfs lager dan die van vergelijkbare pensioenfondsen. Daarnaast is het bestuur van mening dat de kosten passen bij de dienstverlening die het pensioenfonds biedt aan zijn stakeholders. De toename van de kosten ten opzichte van voorgaande jaren is verklaarbaar door onder andere projectkosten en gestegen kosten bij uitbestede partijen (indexatie). Er is bij het fonds wel een stijgende lijn waarneembaar ten aanzien van die kosten.

Deze toename is niet wenselijk in de zin dat het bestuur een stabiliserende of zelfs dalende trend in de kosten wil bewerkstelligen. Gezien de wettelijke ontwikkelingen (Wet toekomst pensioenen) blijkt al over het verslagjaar 2023 dat dit een uitdaging vormt met de uitvoeringskosten van € 188,- per deelnemer. Niettemin blijft het bestuur hierop sturen. Hierop wordt in de paragraaf Vooruitblik 2024 nader ingegaan.

4.3.3.2 Toelichting Vermogensbeheerkosten

Het inzicht in en de beheersing van kosten van vermogensbeheer in de pensioensector heeft grote aandacht gekregen. Het beleid is gericht op het verhogen van inzicht, om de kosten nog beter te kunnen beheersen en te reduceren, met behoud van rendement. Het pensioenfonds volgt in de presentatie van de kosten van vermogensbeheer de “Aanbevelingen uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie” zoals gepubliceerd in november 2011 en de “Nadere uitwerking kosten vermogensbeheer herziene versie met aanvullingen van de Pensioenfederatie” zoals gepubliceerd in februari 2016.

      Transactiekosten    
2023 Beheerkosten Performance
gerelateerde
kosten
Transactiekosten
excl. aan- verkoopkosten
Aan- en verkoopkosten Totaal
Kosten per beleggingscategorie          
Vastgoed 1.081 -956 28 -29 124
Aandelen 384 - 49   433
Alternatieve beleggingen 705 209 108 103 1.125
Vastrentende waarden 964 - 648 54 1.666
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën excl. overlay 3.134 -747 833 128 3.348
Kosten overlay beleggingen -   301 - 301
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën incl. overlay 3.134 -747 1.134 128 3.649
           
Overige vermogensbeheerkosten          
Kosten vermogensbeheer pensioenfonds en bestuursond. 1.079       1.079
Fiduciair beheer 2.270       2.270
Bewaarloon 99       99
Advieskosten vermogensbeheer 76       76
Overige kosten 482       482
Totaal overige vermogensbeheerkosten 4.006       4.006
           
Totaal kosten vermogensbeheer 7.140       7.655
      Transactiekosten    
2022 Beheerkosten Performance
gerelateerde
kosten
Transactiekosten
excl. aan- verkoopkosten
Aan- en verkoopkosten Totaal
Kosten per beleggingscategorie          
Vastgoed 1.139 1.707 28 -177 2.697
Aandelen 408 - 125 186 719
Alternatieve beleggingen 673 -17 172 144 972
Vastrentende waarden 972 - 786 260 2.018
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën excl. overlay 3.192 1.690 1.111 413 6.406
Kosten overlay beleggingen -   361 - 361
Totaal kosten toe te wijzen aan categorieën incl. overlay 3.192   1.472 413 6.767
           
Overige vermogensbeheerkosten          
Kosten vermogensbeheer pensioenfonds en bestuursond. 809       809
Fiduciair beheer 2.202       2.202
Bewaarloon 101       101
Advieskosten vermogensbeheer 157       157
Overige kosten 706       706
Totaal overige vermogensbeheerkosten 3.975       3.975
           
Totaal kosten vermogensbeheer 7.167 1.690      
        10.742

Toelichting op vermogensbeheerkosten

Op totaalniveau zijn de kosten met ruim € 3 miljoen gedaald. Dit betekent een procentuele daling van ruim 28%. Dit terwijl de totale beleggingsportefeuille met een plus van 7,26% in 2023 een positief rendement kende. De sterke daling van de kosten laat zich dan ook vooral verklaren door:

  • Een sterke daling van de kosten voor het private vastgoed (van € 2,7 miljoen in 2022 naar ruim € 123.000 in 2023) wat volledig verklaard wordt door de performance gerelateerde fee.

In 2023 zijn weliswaar 2 transities uitgevoerd waarbij posities in de PGGM-beleggingsfondsen voor aandelen opkomende markten en staatsobligaties opkomende markten zijn verkocht ten gunste van posities in fondsen bij respectievelijk BlackRock en State Street maar deze transities zijn zeer kostenefficiënt uitgevoerd.

Hieronder een toelichting op een aantal andere kostenposten in 2023:

  • Conform de aanbeveling Pensioenfederatie wordt voor alle categorieën waarbij in een fonds wordt belegd een volledige look through van transactiekosten toegepast. Bij look through is een correctie gemaakt voor de in- en uitstapvergoedingen bij beleggingsfondsen, door het pro rata deel van deze opbrengsten te verdisconteren met de in- en uitstapvergoedingen die door het pensioenfonds zijn betaald. Daarnaast is het pro rata deel van de transactiekosten in een beleggingsfonds aan het pensioenfonds toegerekend.
  • De kosten vermogensbeheer pensioenfonds en bestuursondersteuning & de advieskosten waren in 2023 hoger dan in 2022 door indexering van de tarieven en de extra werkzaamheden rondom de WTP.
  • De post bewaarloon en overige kosten bevat kosten voor aanvullende dienstverlening (zoals rapportages, compliance monitoring, bankdiensten, belastingterugvordering) door CACEIS. De kosten van CACEIS zijn gedaald vanwege het lagere aantal transacties. Verder zijn onder overige kosten de aanvullende kosten opgenomen van het Euro Liquidity Funds van Columbia Threadneedle. Deze kosten zijn gedaald, wat zich laat verklaren door de ten opzichte van 2022 gedaalde hoeveelheid transacties in het Liquidity Fund als gevolg van minder sterke rentebewegingen.

In 2023 zijn de totale kosten van het vermogensbeheer € 7.655, wat gesplitst kan worden in € 6.393 aan beheerkosten (inclusief de performance gerelateerde kosten en overige vermogensbeheerkosten) en € 1.262 aan transactiekosten.

Met een gemiddeld belegd pensioenvermogen over 2023 van € 1.978.619 komen de totale kosten vermogensbeheer uit op 0,39% (2022: 0,51%), waarvan 0,32% beheerkosten (2022: 0,42%) en 0,06% transactiekosten (2022: 0,09%) van het gemiddeld belegd vermogen.

Bruto en netto rendement
Het brutorendement van de beleggingsportefeuille bedroeg 7,26% over 2023, versus een benchmarkrendement van 9,50%. Dit betekent dat het pensioenfonds een relatieve ‘underperformance’ had van 2,05%-punt. Na beheerkosten (12bp) wordt de underperformance van het pensioenfonds nog iets groter.

Rendement op langere termijn en risico
Het pensioenfonds is een passieve belegger en heeft de beleggingsportefeuille dan ook (grotendeels) als zodanig ingericht. De strategische portefeuille is een uitvloeisel van de pensioenambities alsook de beleggingsovertuigingen van het pensioenfonds. Het pensioenfonds monitort periodiek of de economische uitgangspunten zoals gehanteerd in de ALM-studie nog actueel zijn en of met de huidige strategische portefeuille invulling kan worden gegeven aan de risicohouding (pensioenambities) van het pensioenfonds. Als uit deze periodieke monitoring blijkt dat de strategische portefeuille onvoldoende toereikend is en/of de economische uitgangspunten zoals gehanteerd in de ALM-studie niet langer actueel zijn onderneemt het bestuur van het pensioenfonds, in overleg met de sociale partners, verdere actie.

Prestatie gerelateerde vergoedingen
Het pensioenfonds betaalt een prestatievergoeding voor de beleggingen in zowel Infrastructuur als Privaat vastgoed. De totale prestatievergoeding bedraagt over 2023 ruim - € 747.000,- versus een bedrag van € 1.690.000,- over 2022. Een hogere prestatievergoeding betekent dan ook dat de performance van deze twee categorieën over 2022 significant hoger is geweest.

Benchmarking
Bell Pension Consultants & Actuaries heeft op verzoek van het bestuur van het pensioenfonds een benchmarkonderzoek uitgevoerd naar de door het pensioenfonds gemaakte uitvoeringskosten. Dit benchmarkonderzoek heeft betrekking op de door het pensioenfonds gemaakte kosten over de periode (2020 t/m 2022) in vergelijking met een peergroup van 43 (vergelijkbare) pensioenfondsen. Over de gemeten periode bedragen de gemiddelde vermogensbeheerkosten (exclusief transactiekosten) 0,34% van het belegde vermogen. Dit is gelijk aan de kosten bij de peergroup.

Voor wat betreft de transactiekosten geldt dat het driejaarsgemiddelde van het pensioenfonds (0,11%) boven het gemiddelde van de peergroup (0,09%) ligt. Dit laat zich vooral verklaren door 2021 waarin enkele transities binnen de beleggingsportefeuille hebben plaatsgevonden.

Oordeel bestuur over de kosten van vermogensbeheer
Het bestuur heeft conform de “Aanbevelingen uitvoeringskosten (De Pensioenfederatie)” beoordeeld of de vermogensbeheerkosten in relatie tot de assetallocatie en de benchmarkkosten en het rendement op lange termijn en het benchmarkrendement passend zijn. Het bestuur oordeelt dat dit het geval is, waarbij het bestuur zich heeft gebaseerd op de vergelijking met andere pensioenfondsen die zijn opgenomen in het benchmarkingrapport 2020 t/m 2022 van Bell. Het bestuur concludeert dat de door het pensioenfonds gemaakte vermogensbeheerkosten in lijn zijn met wat in de markt gebruikelijk is, kijkend naar zowel de strategische allocatie alsook de omvang van het belegde pensioenvermogen.

4.3.4 Klokkenluiders- en Incidentenregeling

Het pensioenfonds beschikt over een Klokkenluiders- en Incidentenregeling. Deze bevat een procedure voor interne en externe meldingen van Incidenten en (potentiële) Misstanden (onregelmatigheden) en de afhandeling daarvan. De regeling bevat waarborgen voor de bescherming van de melder of de klokkenluider volgens deze regeling die te goeder trouw melding maakt van incidenten en (potentiële) misstanden. Het bestuur bevordert dat de dienstverleners van het pensioenfonds een Klokkenluiders- en Incidentenregeling hebben. In 2023 hebben zich geen datalekken voorgedaan. Bij pensioenadministrateur TKP hebben zich in 2023 tien operationele incidenten voorgedaan waarover is gerapporteerd en die zijn vastgelegd in het Incidentenregister. Deze zijn naar behoren opgelost. 

De Wet bescherming klokkenluiders is op 18 februari 2023 inwerking getreden. Het doel van deze wet is om melders van een misstand beter te beschermen. In december 2023 heeft de Pensioenfederatie een geactualiseerd model Klokkenluidersregeling gepubliceerd die aan de Wet bescherming klokkenluiders voldoet. Op dit moment is het pensioenfonds bezig met de implementatie van een aangepaste klokkenluidersregeling. 

4.3.5 Klachten

Een klacht of een geschil is elke uiting van ontevredenheid over de uitvoering van de pensioenregeling, de bejegening of over een genomen besluit van het pensioenfonds onafhankelijk van plaats, tijd of manier van uiten.

In 2023 zijn 9 klachten ontvangen en 49 telefonische uitingen van ongenoegen. 

Luisteren naar deelnemers en daarnaar handelen biedt kansen om onze dienstverlening structureel te blijven verbeteren. Hierbij volgen we de geactualiseerde versie (11 september 2023) van de Gedragslijn Goed omgaan met Klachten. Een vorm van zelfregulering waarmee leden van de Pensioenfederatie hebben vastgelegd wat het basisniveau is van hoe we als pensioenfondsensector willen omgaan met klachten. Hiermee sluiten we aan bij de verwachtingen van onze deelnemers en zijn we goed voorbereid op de verwachte toestroom van vragen en klachten door de stelselwijziging. De geactualiseerde versie sluit aan bij de Wet toekomst pensioenen. Daarbij hanteren we de bredere definitie van een klacht, elke uiting van ontevredenheid van een persoon gericht aan de pensioenuitvoerder. Met als vanzelfsprekend gevolg dat het aantal klachten toeneemt. 

Ons klachtenreglement en -procedure zijn in lijn gebracht met de nieuwe wetgeving en de gedragslijn. Daarnaast heeft ons bestuur een klachtenbeleid en interne  klachtenprocedure vastgesteld. Hierin staat beschreven wat de succesfactoren zijn van goed klachtenmanagement en hoe het bestuur daarop stuurt.

In onderstaand schema staan de aantallen klachten, geëscaleerde klachten en geschillen [over 2023] |over de tweede helft van 2023] toebedeeld aan een aantal vaste rubrieken zoals beschreven in de gedragslijn. [Wij zijn vanaf 1 juli 2023 volgens de nieuwe werkwijze gaan registeren]. Met ingang van 1 januari 2024 verwijzen we door naar de nieuw opgerichte Geschilleninstantie Pensioenfondsen.

Op dit moment is onze pensioenuitvoeringsorganisatie bezig met de inrichting van een periodieke meting van de klanttevredenheid over de behandeling van klachten. Deze wordt in de loop van 2024 operationeel. Ook zal dan op een stelselmatige wijze gekeken worden naar mogelijke verbeteringen die wij kunnen doorvoeren op basis van de ontvangen klantsignalen.

  totaal aantal waarvan geëscaleerd
o service en klantgerichtheid 0 0
o behandelingsduur 0 0
o informatieverstrekking 0 0
o deelnemersportaal 0 0
o keuzebegeleiding 0 0
o pensioenberekening en -betaling 0 0
o registratie werknemersgegevens/datakwaliteit 1 0
o toepassing wet- en regelgeving: algemeen 2 0
o toepassing wet- en regelgeving: invaren, transitie 0 0
o financiële situatie 6 1
o duurzaamheid 0 0
o overig 0 0
Totaal 9 1

4.4 Actuariële analyse

Analyse van het resultaat*
In de volgende tabel staat een analyse van het actuariële resultaat. Hierbij worden de actuariële uitgangspunten van het pensioenfonds vergeleken met de werkelijke actuariële ontwikkelingen over het verslagjaar. De bedragen kunnen afwijken van de bedragen in de jaarrekening, die boekhoudkundig zijn bepaald.

* Genoemde bedragen zijn x € 1.000

(bedragen x € 1.000) 2023 2022
Resultaat op beleggingen 106.948 -681.187
Resultaat op wijziging RTS -43.823 719.887
Resultaat op premie 5.425 -2.238
Resultaat op toeslagverlening -77.746 -112.136
Resultaat op waardeoverdrachten 2.213 -719
Resultaat op kosten -3 42
Resultaat op uitkeringen -319 -366
Resultaat op kanssystemen 4.994 -4.501
Resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen -19.603 -19.634
Resultaat op andere oorzaken 5 -67
Totaal saldo van baten en lasten -21.909 -100.919

Beleggingen
Onder beleggingsrendementen worden verstaan:

  • Alle directe en indirecte beleggingsopbrengsten inclusief kosten van het vermogensbeheer.
  • De rentelasten over vreemd vermogen, achtergestelde leningen en rekening courantverhoudingen met andere partijen.
  • De benodigde interesttoevoeging aan de technische voorzieningen. Deze wordt vastgesteld aan de hand van de eerstejaars spot rate uit de door DNB gepubliceerde RTS per jaareinde van het vorige verslagjaar.

Het resultaat op beleggingen in het boekjaar bedraagt € 106.948. Hiervan bestaat € 157.040 uit beleggingsopbrengsten en - €50.092 uit de benodigde rentetoevoeging aan de TV. Voor een gedetailleerde onderbouwing van dit resultaat wordt verwezen naar het jaarverslag.
 

Wijziging rentetermijnstructuur (RTS)
De mutatie van de verplichtingen voor risico pensioenfonds als gevolg van de renteverandering in het boekjaar betreft de mutatie als gevolg van het verschil tussen de forward RTS-curve (inclusief UFR) vanuit de curve ultimo 2022 en de nieuwe RTS-curve (inclusief UFR) per einde van het verslagjaar.  

DNB heeft eind 2022 aangegeven dat de nieuwe UFR-methode, zoals geadviseerd door de Commissie Parameters 2022, per 1 januari 2023 wordt ingevoerd. Deze wijziging is in boekjaar 2023 verantwoord. 

De gedaalde rente zorgt voor een stijging van de TV. Dit levert een negatieve bijdrage aan het resultaat in het boekjaar. Het totale resultaat van de wijziging van de rente bedraagt - € 43.823. Hiervan wordt - € 51.556 veroorzaakt door de wijziging van de RTS en € 7.733 door de aanpassing van de UFR. 

Premie
Het resultaat op premie wordt vastgesteld door de totaal ontvangen premie af te zetten tegen de actuarieel benodigde premie.  

Om het resultaat op premie correct vast te stellen wordt de saldering van alle baten en lasten in verband met premie afgezet tegen de mutatie van de technische voorzieningen als gevolg van inkoop van aanspraken.

De lasten in verband met premie bestaan uit het deel van de ontvangen premie dat bestemd is voor dekking van de directe uitvoeringskosten en het deel dat bestemd is voor dekking van de toekomstige uitvoeringskosten horend bij de inkoop van nieuwe pensioenaanspraken in het verslagjaar. 

De mutatie van de TV in verband met premie bestaat uit de volgende onderdelen:

  • De inkoop van nieuwe aanspraken, exclusief opslag voor toekomstige uitvoeringskosten.
  • De overlijdensrisicokoopsom voor nog niet gefinancierd verzekerd nabestaandenpensioen.
  • De risicokoopsom voor arbeidsongeschiktheid.

Het resultaat op premie bedraagt € 5.425.  

Toeslagverlening
Het resultaat op toeslagverlening in het boekjaar bedraagt -€ 77.746. 

Per 1 januari 2024 zijn zowel aan actieve als aan gewezen deelnemers toeslagen verleend van 4,53%. De verleende toeslagen per 1 januari 2023 zijn onderdeel van het resultaat over 2022. Voor de toekomstige pensioenopbouw van arbeidsongeschikten wordt elk jaar het pensioengevend loon verhoogd. De verhoging van het pensioengevend loon is ook onderdeel van het resultaat op toeslagverlening. 

Waardeoverdrachten

Deelnemers hebben (onder voorwaarden) de mogelijkheid de waarde van hun elders opgebouwde aanspraken naar het pensioenfonds over te dragen. De overgedragen waarde wordt, op basis van wettelijk vastgestelde tarieven, omgezet in aanspraken in het pensioenfonds. Visa versa hebben gewezen deelnemers (onder voorwaarden) de mogelijkheid de waarde van hun opgebouwde aanspraken over te dragen naar een ander pensioenfonds of verzekeraar. Doordat de grondslagen waar de wettelijke tarieven op gebaseerd zijn afwijken van de grondslagen zoals die door het fonds zijn vastgesteld, ontstaat een actuarieel resultaat bij waardeoverdrachten. 

Het resultaat op waardeoverdrachten bedraagt € 2.213

Kanssystemen

Aan het vaststellen van de technische voorzieningen liggen kanssystemen ten grondslag. De belangrijkste zijn sterfte en arbeidsongeschiktheid. Het resultaat op kanssystemen bedraagt € 4.994

Overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen

Door gewijzigde grondslagen of andere, incidentele redenen kan de TV een wijziging ondergaan. 

Het resultaat door wijziging van de grondslagen van de TV bedraagt -€ 12.849. Een aanpassing van de actuariële grondslagen of methoden in het verslagjaar leidt tot nieuwe eisen ten aanzien van de prudentie van de grondslagen. Het resultaat wordt veroorzaakt doordat de opslag voor excassokosten per ultimo boekjaar is aangepast van 3,0% naar 3,8%. 

Tevens is er een resultaat op incidentele mutaties van -€ 6.754.

Deze post bestaat uit:

  • De verhoging van het opbouwpercentage per 1 januari 2024 van 1,60% naar 1,84%, hierdoor moet er meer gereserveerd worden voor de toekomstige opbouw van arbeidsongeschikten, het resultaat is -€ 6.110;
  • De aanpassing van de extracomptabele correctie voor fictieve opbouw geeft een resultaat van -€ 578;
  • De waardering van pensioenaanspraken voor ex-partners die gekozen hebben voor conversie van pensioenaanspraken was gelijk aan de reguliere waardering, dit is aangepast en geeft een resultaat van -€ 66

Het totale resultaat op overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen bedraagt -€ 19.603

Andere oorzaken

Dit zijn overige actuariële resultaten die ontstaan doordat de feitelijke uitkomsten afwijken van hetgeen actuarieel verondersteld is. Deze resultaten zijn niet toe te wijzen aan één van de eerdergenoemde categorieën.

Kostendekkende premie

De (zuivere) kostendekkende premie in enig kalenderjaar bevat de volgende elementen:

  1. de actuariële benodigde premie voor de inkoop van de onvoorwaardelijke onderdelen uit het pensioenreglement.
  2. een solvabiliteitsopslag die gelijk is aan het streefpercentage vereist eigen vermogen gebaseerd op het strategisch beleggingsbeleid.
  3. de opslag voor uitvoeringskosten van het pensioenfonds

De actuariële benodigde premie voor de inkoop van de onvoorwaardelijke elementen uit het pensioenreglement bestaat uit de volgende elementen:

  • de in dat jaar benodigde actuariële koopsom voor de opbouw van de pensioenen in dat jaar
  • de in dat jaar verschuldigde premie voor het arbeidsongeschiktheidsrisico
  • de in dat jaar verschuldigde premie van overlijdensrisico

Deze bedragen zijn inclusief de opslag voor toekomstige uitvoeringskosten van 3,0%.

De inkoop van de onvoorwaardelijke pensioenen is bepaald op basis van de rentetermijnstructuur en overige actuariële grondslagen per 31 december 2022.

Premiecomponent Kostendekkende premie Gedempte premie (ex post) Gedempte premie (ex ante) Feitelijke premie
(ex post)
Inkoop onvoorwaardelijke opbouw 66.844 41.334 40.239  
Risicopremie overlijden 1.488 1.229 1.527  
Risicopremie arbeidsongeschiktheid 7.170 4.470 4.386  
Opslag toekomstige uitvoeringskosten 2.005 1240 1214  
Opslag uitvoeringskosten 6.356 6.356 5.977  
Solvabiliteitsopslag 17.517 10.910 10.799  
Premie voorwaardelijke onderdelen 0 22.516 21.155  
Ontvangen premie       89.702
Afrekening vorig jaar       -884
Totale premie 101.380 88.055 85.297 88.818

Vanaf 2023 nemen oproepkrachten deel aan de pensioenregeling, dit heeft gezorgd voor en stijging van het aantal deelnemers en een hogere (gedempte) premie. Ook de toename van het opbouwpercentage van 1,35% naar 1,60% zorgt voor een premiestijging.

Versie:
v6.2.32

Met iWink Report maak je professionele online publicaties. Publicaties die je online, in print en als PDF-download kunt aanbieden.

En daarmee voldoe je direct aan de WCAG-wetgeving rond digitale toegankelijkheid.

Eenvoudig, veilig en efficiënt.

Meer over iWink Report